Berging is noodzakelijk
In tijden van hoge rivieraanvoer moet het water ergens heen. Het project Ruimte voor de Rivier heeft ervoor gezorgd dat het rivierwater gemakkelijk kan doorstromen richting zee. Echter, in geval van storm op zee wanneer niet geloosd kan worden, moet het rivierwater tijdelijk geborgen worden voor een periode van minimaal 40 uur stormopzet. Met de verwachte toekomstige piekafvoeren door de grote rivieren is de bergingscapaciteit in de delta ruim onvoldoende. Bij inzet van alle beschikbare deltawateren kan het waterniveau dan stijgen tot een gevaarlijke hoogte van +5,5 m NAP.

Zoetwatervoorziening
Lage afvoeren van Rijn en Maas bedreigen in toenemende mate onze zoetwatervoorziening. Toch is er voldoende zoetwateraanvoer. Het paradoxale is dat bij lage afvoeren 70% van al het rivierwater wordt gebruikt om tegendruk te bieden aan het indringende zout water in de Nieuwe Waterweg. We verspillen dus zoet water om zoet water te behouden. Dat kan slimmer!

De Haakse Zeedijk (DHZ) biedt voor beide problemen, hoge en lage rivierafvoeren, de oplossing.

Als DHZ gerealiseerd is fungeren de drie bekkens tussen de huidige kust en de nieuwe zeewering als buffer voor overtollig rivierwater.  DHZ is eigenlijk een grote nationale boezem in zee. Gedurende de genoemde 40 uur stormopzet, alsook bij doorgaande zeespiegelstijging, kan niet bij eb geloosd worden. In die gevallen blijft de verhoging in de boezem en de achterliggende wateren beperkt tot een veilige +1 à 2 m NAP.  Bij verwachte zeer hoge rivierafvoeren kan met voorpompen het peil van de bekkens vooraf ca. 1 meter worden verlaagd, wat extra buffercapaciteit betekent. Daar bovenop kunnen de in de bekkens gelegen valmeren, normaal in gebruik voor energiewinning, ook nog eens als extra waterberging benut worden.

Wat betreft de zoetwatervoorziening voorziet DHZ in een zoetwaterbuffer in de Zuidwestelijke Delta. Cruciaal is de aanleg van schutsluizen voor de Nieuwe Waterweg. Bij lage rivieraanvoer is het relatief weinige zoet water geheel beschikbaar om de zoetwaterbuffer aan te vullen. Door inzet van de Zuidwestelijke Delta (naast het IJsselmeer) draagt DHZ bij aan een strategische spreiding en toename van de nationale waterbuffers.

In een land waar grote West-Europese rivieren uitmonden hoeft er geen sprake te zijn van een zoetwatertekort!

Zoet-zout overgang
Uitgangspunt van DHZ is om alle wateren in de Westelijke provincies zoet te maken en de bekkens met brak water te laten functioneren als overgangsgebied naar de zee. Uitzondering is de Westerschelde en misschien de Oosterschelde die zout blijven.

Benedenstroomse en bovenstroomse rivieren
Benedenstrooms staan de rivieren onder invloed van het water waarin de rivier uitstroomt: de Noordzee.

Momenteel is de invloed van de getijden merkbaar tot oostelijk van de lijn Gorinchem/Schoonhoven. In het gebied waar de vloedstroom en het afstromende rivierwater elkaar tegenkomen is een grote rivierberging nodig. Bij stijgende zeespiegel stijgt het peil van de benedenstroomse rivier en schuift dit grensgebied op naar het oosten. De hoogte van de (winter)dijk wordt bepaald door de hoogte van de zee en door de af te voeren hoeveelheid rivierwater. Bij toenemende afvoer van de rivier kan het zijn dat er zoveel berging nodig is dat dijkverhoging niet volstaat en dat de rivierdijken verder uit elkaar geplaatst moeten worden: rivierverruiming.

DHZ voorkomt de oostelijke verschuiving van het grensgebied, nog sterker, aangezien de bekkens op 0 NAP blijven en er nauwelijks sprake zal zijn van eb en vloed verschuift de grens zich westwaarts, bijna tot aan de huidige kust. In het huidige benedenstroomse gebied hoeven de rivierdijken  waarschijnlijk niet verhoogd en de rivier niet verruimd te worden.

Bovenstrooms (alles vanaf midden-Nederland tot aan de oorsprong van de rivier) zal bij klimaatverandering, om bovenstroomse overstromingen te voorkomen, steeds gewerkt moeten worden aan de combinatie van extra berging, extra dijkverhoging en/of extra doorstroming van de rivier. Dit is een complex gebeuren omdat een ingreep op een bepaalde plaats steeds het lager en/of hoger gelegen rivierdeel zal beinvloeden. Het is niet gezegd dat de dijken in Duitsland eerder zullen breken dan in Nederland: als Duitsland zijn buffers , rivierdieptes en dijkhoogtes goed op orde heeft en Nederland niet, gaan de dijken in Nederland het eerste eraan.

Bij realisatie van DHZ zal separaat steeds gekeken moeten worden naar de toestand van de bovenstroomse rivieren; Ruimte voor de Rivier is nooit af.